Smartphones en tablets zetten een draadloze verbinding op met een wifi-station of een zendantenne. Heeft die elektromagnetische straling implicaties voor onze gezondheid?

Advertentie

Voor we kijken naar de mogelijke gevolgen van straling, frissen we onze kennis van de fysica eerst even op. Wanneer je met een ballon over een stuk stof wrijft, lijken beide na een tijdje aan elkaar te plakken. Doe dat met twee ballons en breng ze vervolgens bij elkaar en ze zullen elkaar afstoten. Tijdens het wrijven zijn enkele elektronen van de stof losgekomen en op de ballon(s) terechtgekomen. Dat proces is ook zichtbaar als je bijvoorbeeld een wollen trui aantrekt: de vonken die dan kunnen opduiken, zijn bewegende elektronen.

Het stuk stof bevat meer positief geladen deeltjes (protonen) dan negatief geladen elektronen, terwijl dat bij de ballon net omgekeerd is. Gelijksoortige ladingen stoten elkaar af, zoals we zien bij de twee ballons, terwijl tegengestelde ladingen elkaar aantrekken. Deze elektrische ladingen oefenen een kracht op elkaar uit, een zogenaamd elektrisch veld. Brengen we die statische elektrische ladingen in beweging, dan ontstaat er een elektrische stroom die ook een magnetisch veld genereert. Beide velden samen geven aanleiding tot elektromagnetische straling. 

Elektromagnetische straling bestaat in natuurlijke vorm – bijvoorbeeld de UV-stralen van de zon – maar ook in kunstmatige vorm. Denk aan microgolfovens en draadloze communicatiesystemen als gsm, wifi, dect en babyfoons. 

Het geheel van elektromagnetische golven wordt het ‘elektromagnetische spectrum’ genoemd. Vooral het begrip frequentie is hierbij belangrijk. Dat is het aantal trillingen per tijdseenheid: één trilling per seconde is gelijk aan één hertz (Hz). De golflengte staat gelijk aan de lichtsnelheid (300.000 km per seconde) gedeeld door de frequentie, wat betekent dat een hogere frequentie tot een kortere golflengte leidt.

Maar wat nog belangrijker is: hoe hoger de frequentie, hoe groter de energie die wordt getransporteerd. Bij erg energierijke straling kan er zogenoemde ionisatie ontstaan – het verwijderen van elektronen uit atomen of moleculen – en dat kan in het slechtste geval het erfelijke materiaal van mensen beschadigen en kanker veroorzaken. Gelukkig valt elektromagnetische straling afkomstig van zendmasten of wifi-routers in het niet-ioniserende deel van het spectrum, zoals je op de afbeelding hierboven kunt zien.

Gevaarlijke straling?

Hoewel er dus in principe geen sprake kan zijn van schadelijke straling, maken toch veel mensen zich zorgen over de ‘elektromagnetische vervuiling’. De informatie die ze daarover vinden is vaak onduidelijk en verwarrend: de materie is erg complex en wetenschappers zijn het niet zelden oneens met elkaar.

In opdracht van de Vlaamse overheid inventariseerde en evalueerde Prof. Luc Verschaeve van het Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid een reeks internationale rapporten rond dit thema. Daaruit blijkt dat er geen wetenschappelijk onderbouwd onderzoek is dat effectief bewijst dat elektromagnetische straling schadelijk is voor de mens, op voorwaarde dat bepaalde normen gerespecteerd worden.

Hier horen wel een aantal kanttekeningen bij. Nagenoeg alle onderzoeken spitsten zich vooralsnog toe op mogelijke kortetermijneffecten, eenvoudigweg omdat draadloze toepassingen nog niet zolang intensief in gebruik zijn. Er is dus nog veel onderzoek nodig, met name naar kinderen. Die worden immers al hun hele leven aan elektromagnetische straling blootgesteld. Meer informatie over deze onderzoeken vind je in het draaiboek “Zendantennes… een hot item”, een publicatie van de Vlaamse overheid.

Niet-thermische effecten

Daarnaast geeft onder meer pressiegroep Teslabel kritiek op het feit dat veel van deze studies zich beperken tot de eventuele thermische effecten van elektromagnetische straling. Het menselijke lichaam absorbeert bij blootstelling aan elektromagnetische straling in zekere mate de energie uit die straling, wat tot een (schadelijke) temperatuurverhoging kan leiden. Volgens de overheid is dat risico verwaarloosbaar klein als de officiële richtlijnen worden gevolgd. 

Er zijn echter studies die wijzen op niet-thermische biologische effecten van elektromagnetische straling. Ook zonder temperatuurstijging kan deze straling bepaalde processen in het lichaam wijzigen, al dan niet met kwalijke gevolgen. Sommige studies hebben het onder meer over de aantasting van de goede celwerking, een verhoogd risico op gevaarlijke stoffen in de hersenen, slaapstoornissen, wijzigingen in het immuunsysteem, vruchtbaarheidsproblemen, tumoren enzovoort.

Er zijn geen sluitende bewijzen voor, alleen indicaties dat er potentieel nadelige effecten zijn op lange termijn. Ook in deze domeinen is dus nog veel studie vereist. Ten slotte is er nog het zogenoemde nocebo-effect. Nocebo – letterlijk: ‘ik zal schaden’ – is zowat de tegenhanger van het placebo-effect en duidt op schade door suggestie. Concreet: mensen voelen zich ziek en zijn ervan overtuigd dat hun symptomen te wijten zijn aan elektromagnetische straling van bijvoorbeeld een naburige zendantenne of hotspot.

Normen & aanbevelingen

Omdat thermische effecten vooralsnog de enige echt wetenschappelijk onderbouwde biologische effecten zijn, zijn de meeste normen en aanbevelingen daarop gebaseerd. Dat geldt toch voor de richtlijnen van het ICNIRP (International Committee on Non Ionizing Radiation Protection), die de basis vormen voor Europese, nationale en gewestelijke normen en aanbevelingen.

Het ICNIRP heeft een aantal blootstellingslimieten vooropgesteld, waarbij rekening wordt gehouden met de hoeveelheid energie die het menselijke lichaam opneemt bij elektromagnetische straling: de zogenoemde SAR-waarde (Specific Absorption Rate). Er werd wetenschappelijk vastgesteld dat de lichaamstemperatuur in geen geval met meer dan 1° Celsius mag toenemen om gezondheidsproblemen te vermijden. Het ICNIRP heeft berekend dat de SAR-waarde dus in principe onder de 4 Watt per kilogram lichaamsgewicht (W/kg) moet blijven, maar omdat er rekening wordt gehouden met kwetsbare bevolkingsgroepen is de limietwaarde vastgelegd op 0,08 W/kg.

Worden alleen bepaalde delen van het lichaam blootgesteld, zoals bij het gebruik van een mobiele telefoon, dan gelden hogere SAR-waarden: 2 W/kg (voor het hoofd). De SAR-waarde van jouw mobiele toestel staat normaliter in de gebruiksaanwijzing of kun je terugvinden in dit pdf-document.

Houd er rekening mee dat een mobiele telefoon met een hogere SAR niet noodzakelijk meer energie afgeeft. Het vermogen van zo’n toestel hangt immers ook af van hoeveel ‘moeite’ het moet doen om een zendantenne te bereiken: hoe beter de ontvangst, hoe lager de SAR. Bij wifi-apparatuur tekenen we in elk geval veel lagere waarden op dan bij mobiele telefoons, omdat het vermogen daar doorgaans gevoelig lager ligt: de maximale SAR-waarden schommelen hier tussen 0,06 en 0,8 W/kg .

Zendmasten

Jammer genoeg valt de opname van warmte in het lichaam niet zo eenvoudig te bepalen, laat staan op grote schaal. Daarom wordt voor de straling van zendmasten en aanverwanten de energieopname omgerekend naar een relatief eenvoudig te meten waarde: de elektrische veldsterkte op een bepaalde plaats in de lucht, uitgedrukt in Volt per meter (V/m). In de tabel lees je de stralingsnorm af die de Vlaamse overheid begin 2011 heeft vooropgesteld.

Merk op dat de limietwaarden afhangen van de frequentie: hoe lager de frequentie, hoe hoger de absorptie door het menselijke lichaam en dus hoe strenger de norm. Let wel, het gaat hier om de ‘cumulatieve norm’: de totale veldsterkte dus, veroorzaakt door alle (naburige) zendstations samen. Daarnaast zijn er ook nog normen per antenne. Voor een gsm-antenne op 900 MHz bijvoorbeeld is dat 3 V/m – wat ongeveer overeenkomt met een SAR-waarde van 0,02 W/kg. Voor wifi en 3G ligt die waarde iets hoger: maximaal 4,5 V/m.

Dat neemt niet weg dat de Hoge Gezondheidsraad nog strengere aanbevelingen doet en een veiligheidsfactor van maar liefst 10.000 hanteert, 200 keer hoger dus dan die van het ICNIRP. De Hoge Gezondheidsraad stelt met name een cumulatieve veldsterkte voorop van maximaal 3 V/m (bij 900 MHz), wat overeenkomt met een SAR-waarde van slechts 0,0004 W/kg. Zij doen dat net omdat onze kennis over eventuele andere dan thermische gezondheidseffecten ontoereikend is.

Om dezelfde reden heeft ook het IARC (International Agency for Research on Cancer), deel van de Wereldgezondheidsorganisatie, elektromagnetische straling bestempeld als “mogelijk kankerverwekkend”. Vrees niet te hard, want ook koffie en talkpoeder werden in dezelfde groep ingedeeld.

Voorzorgsmaatregelen

Er is dus momenteel geen wetenschappelijk bewijs dat elektromagnetische straling binnen de vooropgestelde limieten schadelijk is voor de mens, maar er zijn evenmin studies die het tegendeel bewijzen. Deze wetenschappelijke onzekerheid heeft de overheid ertoe gebracht van het voorzorgsbeginsel uit te gaan.

Dat is niet hetzelfde als preventie, want dat kan alleen bij een goed gekend risico en dat is bij elektromagnetische straling niet het geval. Binnen dit voorzorgsbeginsel bestaan er verschillende niveaus, gaande van een verbod tot acceptatie. Tussen beide uitersten in situeren zich onder meer nog de principes ALARA (as low as reasonably achievable – maatregelen nemen waarbij ook economische en sociale overwegingen spelen) en prudent avoidance (verstandig vermijden met eenvoudige maatregelen).

De cumulatieve en afzonderlijke stralingsnormen van de Vlaamse overheid sluiten mooi aan bij het ALARA-principe. Diezelfde overheid heeft echter ook nog een hele reeks vrijblijvende aanbevelingen geformuleerd om de blootstelling aan straling te verminderen, geheel in de geest van ‘prudent avoidance’ dus. We sommen de belangrijkste adviezen op, zowel voor gsm’s als voor wifi. Voor een aantal groeperingen volstaan die aanbevelingen echter geenszins. Ze dringen aan op meer ingrijpende maatregelen.

Mobiele telefoons

  • Koop liefst een toestel met een lage SAR-waarde.
  • Probeer de beltijd zoveel mogelijk te beperken. Hoe langer je belt, hoe meer blootstelling aan straling. Vooral kinderen gebruiken de gsm best zo weinig mogelijk.
  • Plaats het toestel niet meteen tegen je oor: de blootstelling is namelijk het grootst tijdens het zoeken naar een verbinding.
  • Bel bij voorkeur op locaties met een goede verbinding. Je toestel verhoogt immers automatisch het vermogen wanneer de ontvangst slecht is, wat tot een grotere blootstelling leidt. Op plaatsen met optimale ontvangst kan het zendvermogen honderden keren kleiner zijn dan het maximale vermogen van het toestel.
  • Sms-berichten genieten de voorkeur boven bellen, omdat je het toestel dan op enige afstand van je lichaam houdt.
  • Gebruik bij voorkeur een al dan niet draadloos ‘oortje’ of bel via de luidspreker, zodat het toestel verder van je hoofd verwijderd is. Het zendvermogen van een Bluetooth-oortje is enkele honderden keren kleiner dan dat van een mobiele telefoon.
  • Leg het toestel ’s nachts op enige afstand van je bed en zet het uit als je het niet nodig hebt.
  • Let op met gadgets als ‘antistraling’ of ‘bio-beschermers’. Die kunnen namelijk een tegengesteld effect hebben en ervoor zorgen dat het toestel zijn vermogen opdrijft om zo de kwaliteit van het signaal te verzekeren.

Wifi

  • Zorg ervoor dat het basisstation minstens één meter verwijderd is van de plaats waar je veel zit. Dat geldt overigens ook voor het basisstation van een DECT-telefoon. Van DECT-telefoons (en babyfoons) bestaan er trouwens ook stralingsarme modellen. 
  • Schakel de wifi op je laptop uit wanneer die niet nodig is. Zo vermijd je dat het toestel continu verbinding zoekt met het netwerk.
  • Schakel het wifi-signaal op je router uit wanneer je het niet nodig hebt. Sommige routers voorzien daarvoor een speciale knop. In het andere geval kun je een timer op het stopcontact van je router plaatsen of met een eenvoudige (en goedkope) afstandsbediening de router naar wens in- en uitschakelen.
Advertentie