We hebben overal en altijd internettoegang. Het vliegtuig was lang de grote uitzondering. Al bieden steeds meer vliegtuigmaatschappijen vandaag internet aan boord aan. Hoe werkt dat?

Advertentie

De afgelopen jaren zijn we gewend geraakt aan het feit dat we overal en altijd internettoegang hebben. Het vliegtuig was lang de grote uitzondering: zodra de startmotoren aangingen, konden we niet langer onze e-mails checken. Steeds meer vliegtuigmaatschappijen bieden vandaag echter internet aan boord aan. Hoe werkt dat?

Niet nieuw

Internettoegang aan boord van een vliegtuig is eigenlijk niet nieuw. Al in 2001 introduceerde Boeing iets soortgelijks, onder de naam Connexion by Boeing. Lang duurde dat avontuur echter niet. In de jaren na de aanslagen van 11 september hadden luchtvaartmaatschappijen andere prioriteiten. Omdat de nodige apparatuur 500.000 dollar per toestel kostte, durfden ze de forse investeringen niet aan. Bovendien zorgde zo’n verbinding voor honderden kilo’s extra gewicht, waardoor er meer (dure) kerosine werd verbruikt.

Nog voor de start haakten de Amerikaanse luchtvaartmaatschappijen United Airlines, Delta Air Lines en American Airlines al af. In Europa hadden enkele maatschappijen, zoals Lufthansa en SAS, wel belangstelling voor de technologie. Ook in Azië tekenden een paar maatschappijen in, waaronder Nippon en Singapore Airlines. Maar dat mocht niet baten: in 2006 gooide Boeing de handdoek in de ring.

Veel had ook te maken met een gebrek aan belangstelling bij de reizigers, voornamelijk omwille van de hoge prijs. Voor een uur internettoegang betaalde je zo’n tien dollar. Onbeperkte toegang gedurende de hele vlucht kostte 29,95 dollar.

Boeing gebruikte satelliettechnologie om reizigers toegang te geven tot internet. Op het vliegtuig werd een antenne geplaatst die in verbinding stond met een van de tientallen Intelsat-satellieten. De downloadsnelheid ging tot 20 Mbit/s, de uploadsnelheid tot 2 Mbit/s. Let wel: dat was per vliegtuig. Als iedereen aan boord online zou gaan, had dat een negatief effect op de snelheid.

Doorstart

Internet in het vliegtuig kende dus een valse start, maar één ding had Connexion wel bewezen: de technologie werkte. Het was dan ook gewoon een kwestie van tijd voordat andere spelers het idee nieuw leven in zouden blazen. En zo geschiedde.

Op dit moment zijn er twee systemen in gebruik. Bij zogenaamde ‘air-to-groundsystemen’ verloopt het versturen van internetdata via grondstations. Een satelliet komt er dus niet aan te pas. De aanbieder van het internetsignaal gebruikt in feite vergelijkbare mobiele zendmasten als voor het mobiele netwerk op de grond, met dat verschil dat de masten naar boven gericht zijn in plaats van naar de grond.

De bekendste aanbieder van deze techniek is Aircell. Het bedrijf is actief in Amerika en biedt zijn diensten aan onder de naam Gogo. Veel Amerikaanse luchtvaartmaatschappijen gebruiken dit systeem. Het air-to-groundsysteem is veel aantrekkelijker dan oplossingen met een satellietverbinding.

Dit systeem is een stuk lichter en een pak voordeliger. Voor 85.000 dollar heeft een luchtvaartmaatschappij een vliegtuig omgebouwd. De apparatuur past in een koffer en weegt maar 15 kilogram. Er kleven echter ook belangrijke nadelen aan dit systeem. Het werkt alleen als het vliegtuig boven land vliegt en is alleen beschikbaar in de Verenigde Staten.

Het aantal luchtvaartmaatschappijen dat Gogo aanbiedt, is de laatste jaren wel hard gegroeid, met namen als American Airlines, Delta, United en Virgin America. In totaal vliegen er 1.500 toestellen (zo’n 85 procent) rond met de benodigde apparatuur. Consumenten betalen een kleine 15 dollar per dag. Wie vaak vliegt, kan kiezen voor een onbeperkt abonnement voor net geen 40 dollar per maand.

Ook in Europa zijn er plannen voor een soortgelijke dienst. Begin dit jaar deden Deutsche Telekom, Alcatel Lucent en Airbus een aantal tests Zij willen een systeem dat gebaseerd is op LTE (supersnel mobiel internet) en hopen zo goedkoop en snel internet te kunnen aanbieden.

Concurrentie

Daarnaast zijn er ook nog systemen in gebruik waarbij de satelliet een centrale rol speelt. Die werken volgens hetzelfde principe als Connexion by Boeing. Het blijft echter een dure oplossing: per maand moeten er al gauw enkele duizenden euro’s betaald worden voor het dataverkeer.

Lufthansa gebruikte Connexion by Boeing in tientallen toestellen tot 2006. Drie jaar later werd een vergelijkbaar aanbod opnieuw in gebruik genomen, waarbij de bestaande apparatuur deels gerecupereerd werd. Lufthansa noemde deze dienst FlyNet, en de downloadsnelheid voor passagiers ligt op 5 Mbit/s, de uploadsnelheid op 1 Mbit/s.

Intussen heeft ook een concurrent als Inmarsat al een tijdje een alternatief, met de naam Swiftbroadband. Elke satelliet bestrijkt een derde van de aarde, waardoor er vrijwel wereldwijd ontvangst is, met uitzondering van de poolgebieden. De term ‘broadband’ in SwiftBroadband moet u wel met een korrel zout nemen. Het gaat (voorlopig) wat langzamer dan u op kantoor gewend bent, maar volgens de fabrikant is ‘licht internetverkeer’ perfect mogelijk. Inmarsat wil de snelheid tegen eind volgend jaar trouwens flink omhoog. Daarvoor is het van plan om drie nieuwe satellieten in een baan om de aarde te brengen.

Veelvlieger

Het mag duidelijk zijn: er zijn volop ontwikkelingen gaande wat betreft internet in het vliegtuig. Aanbieders bestrijden elkaar steeds feller, wat hopelijk zal leiden tot sneller internet, en vooral tot voordeligere prijzen.

Dat er diverse aanbieders actief zijn, heeft natuurlijk ook nadelen. Als u een trans-Atlantische vlucht naar New York neemt en vervolgens een binnenlandse vlucht in de Verenigde Staten, is de kans groot dat u twee keer een kaartje moet kopen om gebruik te kunnen maken van de internetverbinding. Ieder bedrijf hanteert zijn eigen prijzen en het aanbod is (nog) niet uitwisselbaar.

Bovendien bieden sommige maatschappijen een abonnement aan waarmee de frequent flyer voor een vast maandbedrag onbeperkt kan internetten. Dat is handig, maar als u toch eens een andere maatschappij neemt, hebt u geen internetverbinding aan boord. Voor consumenten zou het leuker zijn wanneer de diverse aanbieders meer zouden samenwerken. Maar gelet op de felle concurrentiestrijd waarin de hierboven genoemde systemen met elkaar verwikkeld zijn, lijkt dat nog ver weg. Voorlopig toch, want inzake internet op 10.000 meter hoogte staat er nog flink wat te gebeuren.

Advertentie