Met virtualisatie breek je de directe link tussen de fysieke infrastructuur en de applicaties die erop draaien. Vroeger draaiden één applicatie en één besturingssysteem rechtstreeks op de hardware van een server. Dat kwam er meestal op neer dat je een machine nodig had per grote applicatie. Met virtualisatie ga je op die server een extra […]

Advertentie

Met virtualisatie breek je de directe link tussen de fysieke infrastructuur en de applicaties die erop draaien.

Vroeger draaiden één applicatie en één besturingssysteem rechtstreeks op de hardware van een server. Dat kwam er meestal op neer dat je een machine nodig had per grote applicatie. Met virtualisatie ga je op die server een extra laag installeren die als buffer dient tussen de infrastructuur en de applicaties. Die laag maakt een virtuele versie van de hardware, een "virtual machine". Dat betekent onder meer dat je meer applicaties en zelfs meerdere besturingssystemen naast elkaar op één server kan draaien.

Wat kan ik virtualiseren?
Servervirtualisatie is als technologie al het verst gevorderd en wordt ook het vaakst gebruikt. Ook applicatievirtualisatie is populair. Daarbij gaat u applicaties verpakken in een virtualisatielaag, zodat ze niet volledig moeten integreren met het besturingssysteem van de computer waarop ze staan.

Een derde soort, desktopvirtualisatie, is eveneens van tel. Bij die vorm van virtualisatie worden alle effectieve berekeningen en opslag in het datacenter gedaan. De computer op jouw bureau fungeert daarbij als doorgeefluik voor de gegevens en opdrachten die je intikt. Zo"n pc wordt dan meestal een "thin client" genoemd.

Storagevirtualisatie koppelt dan weer de opslagcapaciteit los van de effectieve opslagsystemen. Zo komt die capaciteit in een grote pool terecht, die op een logische manier kan worden toegewezen. In tegenstelling tot vroeger hoeft er dus geen verband meer te zijn tussen het storagesysteem en de applicatie die de gegevens wegschrijft. Gegevens uit één applicatie kunnen moeiteloos over verschillende fysieke opslagsystemen worden gespreid. Op die manier blijft zo weinig mogelijk ruimte onbenut.

Ongeveer hetzelfde gebeurt met netwerkvirtualisatie. De software of switch zal daarbij alle beschikbare bandbreedte samenbrengen en verdelen over een aantal kanalen die elk in real-time kunnen worden toegewezen aan een server of toestel die ze op dat moment nodig heeft.

Waarom zou ik virtualiseren?
De belangrijkste reden om te virtualiseren is consolidatie en dus efficiëntie. Servers worden steeds krachtiger en het is zonde om al die rekenkracht aan één applicatie te verspillen.

Door meerdere applicaties op één server te zetten, gaat u van pakweg twintig bijna onbenutte servers, naar zes of zeven servers die voor 80% gebruikt worden. Zo moet u minder fysieke machines onderhouden en aanschaffen. Bovendien ligt uw elektriciteitsrekening lager.

Een tweede reden is compatibiliteit. De laag die u tussen verschillende programma"s of tussen software en hardware legt, zorgt ervoor dat die applicaties niet volledig moeten integreren met hun gastheer, wat compatibiliteit een stuk makkelijker maakt.

Wat is een ghost machine?
Omdat het vrij makkelijk is om nieuwe virtuele servers aan te maken, loop je het gevaar om "ghost machines" te hebben.

Stel, iemand vraagt een machine aan om snel iets op te testen en heeft die twee maanden nodig. Na die twee maanden laat hij hem nog even door draaien, "want je weet maar nooit". Als dat vaak gebeurt, heb je na een jaar een hele hoop virtuele machines waarvan niemand nog weet waarvoor ze dienen.

Met een goed lifecycle management systeem vermijd je dat probleem: zulke software biedt je een overzicht van hoeveel virtuele servers je hebt, en waartoe ze dienen.

Hoe kan virtualisatie bijdragen tot "business continuity"?
Een voordeel van gevirtualiseerde applicaties is dat je ze heel gemakkelijk kan migreren van de ene server naar de andere, soms zelfs zonder dat dit enige down-time tot gevolg heeft.

Wordt een server overmatig belast, dan kan de toepassing overgezet worden naar een andere, vrije server. Je kan zelfs virtuele machines tussen twee datacenters, al dan niet in de cloud, laten bewegen. Gebruikers merken er niets van, omdat er geen onderbreking van de dienst optreedt.